maandag 8 maart 2010

Terug naar België


Eind goed, alles goed

Uiteindelijk hebben ook mooie liedjes een eind, jammer genoeg.
Dat einde is bij ons een langgerekt verhaal geworden.
De zaterdagmorgen verlieten we gezwind ons hotel in hartje Auckland om naar de luchthaven te rijden en ons vinnig Mazda’tje in te leveren. Geholpen door het luwe zaterdagverkeer, klaarden we die klus op een half uur (in het hotel zei men dat we op een uur moesten tellen!). Al even gezwind konden we inchecken, en mochten we het vlietguig naar Melbourne op.
Was Nieuw-Zeeland ons altijd (toch meestal) vriendelijk gezind geweest, met Australië was dat een ander geval. In Melbourne was er een ‘torrential downpour’ met een donderstorm om u tegen te zeggen (achteraf bleek het een mini-tornado geweest te zijn). Het gevolg was dat ons vliegtuig naar Canberra afgeleid werd (zo’n 400 km van Melbourne).
Wacht even! We moesten wel onze verbinding naar Singapore en London halen !!!!

In Canberra zaten we twee uur op de tarmac te wachten tot we het ‘all clear’ kregen om naar Melbourne door te vliegen. Tot onze grote opluchting hadden ze daar het vliegtuig naar Singapore op ons laten wachten. Vier uur na tijd zijn we dan opgestegen. Dat ‘all clear’ moet je ook met een korreltje zout nemen, want die dondertoestand was nog niet helemaal opgeklaard: onze grote kist werd flink door mekaar gerammeld door de turbulentie (ik heb nog net niet gegild). Maar verder geraakten we zonder problemen in Singapore (al in het holst van de nacht) en vandaar ging het verder naar London. Het laatste deel van de vlucht was fascinerend: van Moskou tot London was er meestal geen wolkje te zien, en dus kon je het landschap ongehinderd waarnemen. Van Rusland over Oekraïne en Polen tot over Dortmund in Duitsland was het gesneeuwd en was alles dichtgevroren. Het uitzicht was alsof je in een luchtballon over het landschap gleed, of meer mee met de tijd: alsof je door Google Earth aan het surfen was, of in een soort mini-Europe met legoblokjes aan het rondlopen was. Ik was doodmoe, maar ik kon niet ophouden met door het vliegtuigraampje te staren.
In London kwamen we 3 uur te laat aan, zodat ons vliegtuig naar Brussel ribbedebie was. De bediende aan de balie van British Airways heeft wel een half uur gefronst en gezucht en gemaild en gesurft om een alternatief te vinden! Uiteindelijk hebben we nog eens 5 uur mogen wachten in de indrukwekkende terminal 5 van Heathrow om de eindmeet te bereiken. Al bij al zijn we ei zo na 48 uur onderweg geweest voor we de gewijde grond van de Belgische bodem en het thuisfront mochten kussen. En ons verhaal mochten vertellen en de cadeautjes konden overhandigen en de lekkere, Belgische kost mochten verorberen. En eindelijk ons bed konden induikelen... met een zalig gevoel van ‘eind goed, al goed’.

woensdag 3 maart 2010

Cream Trip in de Bay of Islands

Cream Trip in de Bay of Islands

De host van Hawley’s B&B in Hahei had ons aangeraden om de Cream Trip in de Bay of Islands te boeken. Deze cruise volgt de originele ‘melk’route (om van alles op te halen en te bestellen) tussen de eilanden. En aangezien wij goede raad appreciëren, hebben we dat ook gedaan. Voor onze voorlaatste dag hadden we geen betere keuze kunnen maken.



Deze cruise maakt dus een boottocht door de 88 eilanden, maar gaat ook actief op zoek naar dolfijnen. Wie daarvoor kiest, mag met de dolfijnen gaan zwemmen. Wij hadden geluk: de dolfijnen kwamen ons na amper een half uurtje al vergezellen. Op dat ogenblik laat de kapitein een groot net langs de kant van de boot zakken. Wie graag met de dolfijnen gaat zwemmen, springt in dat net, en zwemt even later naar de dolfijnen toe. Zo te horen aan de commentaren, moet dat een fantastische ervaring zijn.
Daarna ging het verder naar het obligate ’hole in the rock’, waar de boot natuurlijk doorheen cruisde.

Rond de middag kwamen we aan het eiland Urupukapuka aan, waar we een wandelingetje naar een lookout over de eilanden konden maken (en dat wij natuurlijk niet konden overslaan). Het uitzicht was fenomenaal, en lokte ons de uitspraak uit dat ‘het aards paradijs zeker hier geweest moet zijn’.
Een ander merkwaardige plaats waren de Black Rocks (foto), gestolde lava, zoals in de Giants’ Causeway in Ierland, en een nieuw ongelooflijk zicht.
En als je bovendien nog het meest fantastische weer krijgt, dan besef je dat de dag niet meer stuk kan.





Daarmee zijn we zo ongeveer aan het einde van onze reis gekomen. Morgen rijden we terug naar Auckland. Op onze weg is nog een kauri-woud (heel oude reuzenbomen), en dan moeten we doorheen heel de spaghettiknoop van de snelwegen rond de stad om ons hotel te zoeken. De dag daarop stappen we het vliegtuig in voor een vlucht van 29 (!) uren, in vier etappes: Auckland - Melbourne – Singapore – London – Brussel. Met al de wachturen op diverse luchthavens zijn we zeker anderhalve dag zoet. Maar dat hebben we er graag voor over: de reis was meer dan de moeite waard, en een jetlag of twee neem je er dan wel bij!!!!

dinsdag 2 maart 2010

Van Hahei naar Paihia



Van Hahei naar Paihia is een hele lange rit: meer dan 400 km, via Auckland, met een wirwar van autostraden die ons bijna een hartaanval bezorgde. Het was pas in Whangarei dat we even bij de waterval gingen uitblazen, voor we het laatste deel van de rit naar de Bay of Islands aanvatten.

In Paihia krijg je meteen voorstellen om honderd en een activiteiten te doen. Wij kozen er uiteindelijk voor om de laatste dagen wat uit te bollen... Op de weg naar hier ontdekten we dat er in Waiomo een grot met gloeiwormen is. Aangezien dat voor beiden nog onbekend terrein was, togen we daarheen – en we waren erg onder de indruk van iets wat precies de melkweg in miniatuur leek: duizenden lichtjes in de grotwand boven ons. En wat we nog meer apprecieerden: het was geen grootse commerciële bedoening zoals op andere plaatsen hier: gewoon een familie die op een bepaald ogenblik vaststelt dat er – wie had dat ooit vermoed – een grot met gloeiwormen in hun erf ligt...

Een uurtje later waren we al op de Waitangi Treaty Grounds, de historische plaats waar de maori’s een verdrag met de Engelsen sloten. Dat konden we niet achterwege laten als we hier heel het land afgereisd hebben!

Morgen gaan we ons nog eens laten dienen, en dan maken we een boottochtje in de Bay. Als alles goed gaat, zouden we dolfijnen op onze weg moeten vinden, maar dat is voor het volgende verslag.

maandag 1 maart 2010

Coromandel



Coromandel / Hahei

Wie gedacht zou hebben dat we nu al ongeveer ‘alles’ gezien hadden, en dat er enkel herhalingen zouden volgen, heeft het mis. De westkust van Coromandel nam ons nog eens bij de hand voor een nieuwe exploratie.

In Hahei daalden we het pad af naar Cathedral Cove, een rotsformatie in de vorm van de overspanning van een kerk. Maar zoals kerken (figuurlijk) bij ons afbrokkelen, zo verliest de rots ook af en toe wat stenen. De doorgang wordt dus als heel gevaarlijk aangeduid, wat niemand (en zeker Donald niet) belet om er vrolijk door te wandelen.

Een aantal kilometer zuidelijker ligt Hot Water Beach. Daar kun je bij laagtij een putje graven om het met warm water te laten vollopen, en er dan rustig in te gaan baden. Iedereen komt dus met een spade het strand opgewandeld om zijn eigen warm bad te graven. En als ik zeg ‘warm’, dan bedoel ik ook warm. Op bepaalde punten is het overigens zo heet dat je er onmogelijk je voet in kunt houden (tenzij je hem gekookt terug wilt krijgen).

En zo ligt heel de kustlijn hier bezaaid met telkens nieuwe baaien, die al even uitnodigend zijn als de vorige. Ze vragen gewoon om bewandeld en bezwommen te worden. En als je dan nog het perfecte weer erbij krijgt, kan de pret natuurlijk niet meer op

zondag 28 februari 2010

Rotorua en het vulkanisch gebied

Vanaf Taupo begint de kracht van de losgeslagen natuur pas goed duidelijk te worden. Het begon met de Huka Falls waar 16o.ooo liet water per seconde voorbijstroomt. De waterkrachtcentrales die op die rivier gebouwd zijn, leveren meer dan de helft van de elektriciteit van het noordereiland. Vandaar ging het naar Craters of the moon, waar het vulkanisme precies kratertjes in het landschap heeft geslagen.




Een van de meest indrukwekkende 'volcanic parks' was Waimangu Valley . In 1886 ontplofte de vulkaan Tarawere er, en vernietigde alle plantaardig en dierlijk leven op zijn weg. Ondertussen is de natuur zich aan het herstellen, en hoe! De plantengroei is op bepaalde plaatsen precies weggelopen uit Jurassic Park, als je de varens bekijkt. Voor de rest borrelt het en rookt het nog uitbundig (je verbrandt je vingers, als je ze in het opborrelende water houdt). De gevormde meren zijn fabelachtig.
We hebben daar een kleine twee uur rondgelopen, en we kregen er maar niet genoeg van: zien hoe de aarde zich weer heropbouwt vanaf het nulpunt is fascinerend.

In Rotorua stinkt het naar rotte eieren dat het een lieve lust is. Zelfs in de spa van ons hotel ruiken we het. Tijdens een wandeling door het stadje zagen we een serie van die zwavelpoelen. Ik moet overigens eerlijk bekennen dat we niet veel verder geraakt zijn dan een goeie wandeling langs het park en langs de oude badhuizen: onze inspanningen van de vorige dagen begonnen door te wegen - en dus lieten we alle 'must-do's' achterwege: geen maori-optreden, geen bezoek aan het museum, geen verdere thermal park exploraties. In de plaats daarvan deden we de shops van Rotorua alle eer aan, slurpten we met genoegen aan onze Starbucks grande koofie en choco, en bezochten we de Polynesian pools, waar we ons urenlang lieten verwennen door de warme en (geneeskrachtige, zegt men) baden. Heerlijk!

En toen we net aan het nagenieten waren van onze relaxte zwempartij, viel het bericht van de aardbeving in Chili binnen, en die had toch zeker wel een tsunami naar Nieuw-Zeeland gestuurd! Je kent Donald: als wetenschapper kon hij toch zo geen unieke kans laten voorbijgaan om dat fenomeen van dichtbij te observeren. Wij dus naar het strand an Tauranga, waar die reuzengolf verondersteld was om goeiendag te komen zeggen. Helaas - of misschien gelukkig - waren we op het verkeerde moment, en dus hebben we de tsunami overleefd (maar wel niet gezien).

En toen ben ik nog even aan een catstrofe ontsnapt. We zouden eventjes een site van de vroegere gouddelvers in Karangahake gaan bezoeken, waar o.a. nog een oude mijntunnel is. Die wou Donald per se doorwandelen, in het helledonker. Bleek dat hij zijn zaklampje in de auto had laten liggen, en aangezien we geen van beiden zelfmoordneigingen hebben, hebben we het project maar verder afgeblazen.

Op onze weg naar Hahei hebben we ook nog een ommetje gemaakt om een aantal 600-jarige kauribomen (vgl redwood in California) te gaan bewonderen. En heel die tijd reden we door een landschap dat er als de Shire van de hobbits uitziet. Om duimen en vingers af te likken!!!

donderdag 25 februari 2010

napier




In 1931 is het kuststadje Napier ongeveer met de grond gelijk gemaakt door een zware aardbeving. Bij de heropbouw ervan gebeurde de restauratie in de toen modieuze art-decostijl, wat het stadje nu een aantrekkelijk retro-karakter geeft . De plaatselijke Art Deco Trust, met zetel in de oude brandweerkazene (foto), houdt het culturele erfgoed goed in ere en organiseert zelfs een art-decofeest (dat we op een paar dagen na net gemist hebben).
De plaatselijke middenstand weet al die toeristische interesse overigens goed uit te buiten door met verschillende stalletjes aan de infodienst te staan. En zo komt het dat we ons hebben laten verleiden door een schaapsleerlooier, die ons direct naar zijn fabriekje buiten de stad voerde om zijn shop aan te bevelen – overigens niet zonder profijt, want Donald heeft er zijn droompantoffels voor de winter gevonden!!!

Het weer toont zich bovendien nog altijd van zijn vriendelijkste kant en de zon maakt beslist overuren: de uv-index was vandaag 11... Dus doken we de zware middaguren maar het National Aquarium of New Zealand in, om in een onderwatertunnel haaien, roggen en andere zeebewoners te observeren. En een wandeling langs de lange Marine Parade – met wat stevige tegenwind – maakte dat we de ziedende hitte konden trotseren. Het wijnproeven in deze wijnstreek zal er niet in zitten – voor rijden onder invloed, en dan nog met een huurwagen, zijn we niet te vinden.

De rit naar Tongariro National Park op de volgende dag kon geen groter contrast bieden. We waren amper buiten Napier of de hemel trok dicht, en na een uurtje was het aan het gieten. Toen we op onze pleisterplaats voor de nacht aangekomen waren, was zelfs de straat er ondergelopen. Dat belette ons overigens niet om naar Tongariro National Park (waar de Mountain of Doom zich bevindt!) verder door te rijden, onze regenbroeken aan te trekken en desnoods door de regen te gaan wandelen. Geleidelijk kwam er af en toe een streepje zon door de wolken, en we kregen zelfs een topje van een vulkaan te zien.

We zitten nu volop in vulkanisch gebied, en hier in de buurt van Turangi stoomt het en borrelt het op de meest onverwachte plaatsen. Misschien vinden we wel een thermal pool om onze stramme spieren in te verwennen?

maandag 22 februari 2010





















Van Nelson naar Napier

Het zuidelijk eiland heeft ons op zijn meest charmante manier uitgewuifd: met een openluchtconcert onder de blauwste hemel die het kon produceren. Dat concert kwam van een volledig orkest krekels langs de Queen Charlotte Drive, een schilderachtige (griezelig bochtige) weg langs een landschap met mini-eilandjes, helemaal door het water ingesneden.
We waren ruim op tijd in Picton voor de ovetocht naar Wellington op het noordereiland, maar eerst moesten we nog onze auto terug inleveren (wat ook betekende dat alle rommel die we twee weken verzameld hadden, moesten zien kwijt te raken, of in de valiezen en rugzakken te proppen – voorwaar een opgave!)

Na de paradijselijke weken in het zuiden was Wellington een cultuurshock: verkeerslichten aan de lopende band, massa’s toeterende auto’s (naar onze twijfelende zilvergrijze, gesofisticeerde Mazda die we nog niet onder de knie hadden), en veeeeeeeeeeeeeeel huizen in een langgerekte reeks slaapstadjes. Op de weg naar onze B&B vond ik het maar aangebrand ruiken: bleek dat een of andere brandstichter van 14 jaar een stuk bomen in de heuvels in de fik had gestoken.

Aangezien we ook nog eens onze culturele bagage dienden bij te spijkeren, zijn we in Wellington naar het Te Papa Museum getrokken: een wonderbaarlijk museum in een futuristisch gebouw, waar we naadloos van de ene collectie in de andere overstapten: van voorgeschiedenis van de aarde over de natuurlijke fenomenen naar de geschiedenis van Nieuw-Zeeland. We stapten in een huisje dat door een aardbeving geteisterd werd, en waar we goed door elkaar geschud werden, en vandaar in een simulatie van een onderzeeboot die ons naar een onderzeevulkanen bracht (en ook goed door elkaar schudde – remember het ruimteschip in Disney?) . De tentoonstelling over de ‘kolonistaie’ van Nieuw-Zeeland door Maori’s en Europeanen liet ons pijnlijk zien hoe het land door de ‘beschaving’ werd ingenomen: bossen werden massaal afgebrand, nieuwe dieren en planten werden ingevoerd die de oude dieren en vegetatie bleken te verdringen. Momenteel is NZ hard aan het werk om te redden wat er te redden valt, o.a. door lang geleden ingevoerde dieren (possums, bijv) te verdelgen om de inheemse soorten weer adem te geven.

Op de weg van Wellington naar Napier leek het alsof het heimwee van de Europese kolonisten vaste vorm had gekregen. Zo strandden we bijv. In Dannevirke, dat blijkbaar zo Deens mogelijk wou blijven; daar vertaalde de erfenis van vroegere tijden zich in een hele resem ‘antiek’winkeltjes (waar ze dingen verkopen die wij vooral op de rommelmarkt vinden, en af en toe een authentiek stuk dat meer dan 100 jaar oud is).
In Norsewood, gesticht door ene Johanna, hebben ze een stavkirke, een Norskeskogen skole, een trollenmuseum en zelfs een wolfabriek die zichzelf Norsewear noemt en de Noorse wolproducten produceert. Dat interesseerde ons natuurlijk uitermate, omdat we hoopten daar een Noorse muts met oorlappen te vinden. Er waren wel degelijk mutsen, maar bij navraag ‘had men nog de Noorse mutsenstijl niet in de collectie opgenomen’, en qua pullovers was er maar één die Noorse breimotieven had. Maar ze zeiden dat ik ze op een idee gebracht had.
Dus als één van jullie ooit in Norsewood voorbijkomt en bij Norsewear binnenloopt, kijk dan eens of je wat meer van het authentieke Noorwegen terugvindt!!!

zaterdag 20 februari 2010

Abel Tasman National Park



Abel Tasman National Park

Onze laatste dag op het zuidelijk eiland gingen we in het Abel Tasman National Park wandelen. Een watertaxi bracht ons naar Bark Bay, een van de strandjes waar onze wandeling kon starten. 5 uur later zouden we weer opgehaald worden.
De wandeling tussen Bark Bay en Anchorage Bay neemt officieel 4 uur in beslag . Veel te ruim geschat, dachten wij, want over die schamele 11 km doe je toch geen 4 uur! Dus stapten wij op ons dooie gemak de eerste helling op. Het tracé was eigenlijk relatief gemakkelijk. Af en toe een fikse klim, maar dan ook weer een pittige ‘drop’ (zoals de Engelsen voor ons dat uitdrukten). En de bomen waren aantrekkelijk, paradijselijke boomvarens en ook een stuk of wat onbekende soorten. En af en toe moest er natuurlijk een foto gemaakt worden, want de kleuren van het water, die kun je toch niet met woorden beschrijven. En zo kwam het dat wij het eerste deel van de wandeling eerder laat beëindigden en onverwacht tot de vaststelling kwamen dat luieren op het goudgele zand van Torrent Bay, of zelfs maar in het water peddelen er niet meer inzat – als we tenminste de laatste boot wilden halen!!! Het alternatief was 8 uur extra extra wandelen tot waar we de taxi genomen hadden. En dus pakten we in vliegende vaart onze biezen weer bijeen en liepen we op een drafje (nou ja) de 90 minuten naar Anchorage Bay, waar we nog net even op adem konden komen voor de boot aankwam.

Ik moet nog even melden dat Donald hier in Nieuw-Zeeland een nieuwe liefde gevonden heeft: die voor de Whittaker’s chocolade, waarvan hij er vanavond maar even een kilo in de aanbieding gekocht heeft, en die elke dag onze laatavond kleur geeft. Nou ja, als je je overdag zo afbeult, dan verdien je wel een snoepje, of niet soms?

vrijdag 19 februari 2010

Van Fox Glacier naar Nelson

De West Coast vanaf Fox Glacier

Op heel wat plaatsen staan hier waarschuwingsplaten dat een beekje bij regenval een kolkende, gevaarlijke stroom kan worden (en dat je dus best niet de gemarkeerde paden verlaat). Ik heb altijd gedacht dat dit een boutade was om de wandelaars op het rechte pad te houden. Tot vandaag.

De overvloedige regen die voorspeld werd, viel met bakken uit de hemel – een halve dag aan een stuk. Wij dachten dat we die wel zouden trotseren, en overmoedig trokken we alvast al onze regenbroek en –jas aan om het pad naar de Fox Gletsjer op te trekken. Van de manager van onze Lodge leenden we paraplu’s om ons nog meer te beschermen tegen de gietende regen (ik kan u verzekeren dat je na 1 minuut druipnat bent). Maar aan het startpunt van de wandeling stelden we vast dat de track gesloten was – gevaar voor overstroming en zo. Tja, dan maakten we maar rechtsomkeert, he. Een ontgoocheling, zal je denken? Helemaal niet, want wat we hier observeerden aan natuurgeweld, grenst aan het ongelooflijke. De bijna uitgedroogde beddingen van rivieren werden in een mum van tijd ingenomen door kolkende stromen die met razend geweld hun weg verderzetten; uit het niets ontstonden watervalletjes, die hier en daar straten lieten onderlopen; het water zette zijn weg voort en sneed stukken land op zijn weg uit. Het was indrukwekkend.

Heel de dag bleef het verder regenen, weliswaar wat ‘beschaafder’ na een tijd. Toen we in Greymouth aankwamen, was het droog. Ons motel gaf uit op de Tasman Sea, en dus maakten we nog een lange avondwandeling aan het strand.. Voor onze ogen zagen we hoe een van die kolkende watermassa’s zich met geweld in de zee stortte, daarbij zijn eigen bedding eroderend.

Nieuw-Zeeland is godallemachtig mooi.

Op de route van Greymouth naar Nelson reden we een hele tijd langs de Tasman Sea, en om de paar minuten wou ik stoppen om een foto te nemen. Niet haalbaar, natuurlijk, want we hadden meer dan 300 km voor de boeg. Onze eerste echte stop waren de Pancake rotsen: rotsformaties zo geërodeerd zijn dat ze eruit zien als een stapel pannenkoeken: indrukwekkend!

Vandaar ging de rit verder naar Cape Foulwind (met inderdaad een krachtige wind): daar hebben we ons een wandeling van twee uur gepermitteerd langs de meest fantastische kustlijn die ik ooit gezien heb (een kruising tussen Wales, de Queen’s Route in Noorwegen en de kust van Big Sur in California) – met langs de weg een kolonie robben. Ik had gewild dat er geen eind aan de wandeling kwam...

Daarna reden we langs de Buller Gorge en in de vallei van een indrukwekkend alpien landschap. Het is allemaal te veel om te bevatten.
En in Nelson aangekomen, stapten we weer af in ... Engeland. Wat een land, dat de samenvatting van heel de wereld is!!!

maandag 15 februari 2010

Wanaka


Lake Wanaka en omstreken


Onze uitrustdag hebben we gisteren genomen: met een korte rit van Queenstown naar Wanaka, een 100 km. Met wel genoeg te beleven. Deze streek was vroeger een goudzoekersregio, en daarvan zijn de overblijfselen nu nog te zien, commercieel grondig uitgebaat!

Ook op onze weg lag de plaats waar het bungeejumpen zijn oorsprong vond, en dus zijn we een paar van die waaghalzerijen gaan bewonderen (160 $ om één keer te springen!) – en dan moet je weten dat ze in de rij staan om hun kans te wagen, en dat er bussenvol aangevoerd worden voor die ultieme kick.

Onze rit liep verder over de Crown Range, een weg doorheen de bergen, met scherpe haarspeldbochten en weidse vergezichten: precies het soort weg dat ik wel wil (omdat het landschap uniek is) en dan weer niet (omdat het koud zweet mij bij elke bocht uitbreekt). En zo kwamen we uiteindelijk in Wanaka aan – bij het gelijknamige meer, een unieke vakantieplaats. En de zwemkom van het hotel herinnerde ons aan de heerlijke warme zwemkommen van Florida

Ondertussen zijn we ook ‘verslaafd’ aan de lekkere Nieuw-Zeelandse vis (met namen die ik nog nooit gehoord heb). Zo lekker heb ik de vis nog nooit gegeten! Spreek het woord ‘biefstuk’ niet meer uit: ik weet niet hoe ik zoiets ooit lekker gevonden heb (komt wel weer terug als ik eenmaal in de bewoonde wereld terugkeer).

Vandaag hebben we een wandeling langs Diamond Lake gedaan, en zijn we nog wat hoger geklommen om Lake Wanaka vanuit de hoogte te zien – een relatief haalbare klim voor 2 oudjes als wij. En met de zon die stralend van de partij was, kon ons zalig gevoel niet meer op.

Ondertussen is Donald aan de tv gekluisterd om het nieuws van de treinramp in België op te vangen: gisteravond zijn we zomaar eventjes een uur de headline van CNN geweest...


-----

De dag eropwas dan de tocht van Wanaka naar Fox Glacier. Op de reisbrochures stond er dat de weg tussen Haast en Wanaka zeer pittoresk was - wat klopt - en je werd voortdurend verleid om allerhande zijsprongetjes en wandelingetjes te maken. Dat deden we dan ook, enigszins tot onze ontgoocheling, want het vergezicht van de lookouts (we zijn wel nooit meer dan 30 minuten naar omhoog geklommen) was niet echt beter dan het grandioos zicht vanuit de auto in de vallei. Was het de vorige dag 27C, dan dook de temperatuur nu tot 12-16C, en de wolken werden hoe langer hoe dreigender. Toen we in Fox Glacier aankwamen - in de gietende regen - kregen we het bericht dat het tussen de 120 en 180 mm zou gieten (en neen, ik heb echt geen 0 te veel geschreven). Dat belooft voor onze tocht naar de gletsjer morgen...


Ik moet nog iets vertellen over het fenomeen van de zandvliegjes. Dat zijn kleine vliegjes, wat groter dan onze dondervliegjes, maar venijnig en bloeddorstig, en je moet een insectenspray gebruiken om dat krapuul af te weren. Donald dacht dat hij van nature immuun was tegen dat ongedierte, maar dat leek wel enigszins anders te zijn: nu zit hij met tussen de 10 en de 20 vliegenpuncties, en die jeuken hem te pletter. Gelukkig voor mij vinden die schatjes zijn bloed een pak verteerbaarder dan mijn vergiftigde huid, zodat ze en bloc richting Donald vliegen. Foei van mij!!!

zaterdag 13 februari 2010


Queenstown en omstreken

Valt het niet op dat ik nog niet over het weer heb gezeurd? Dat is doordat de regen op de juiste ogenblikken in bakken naar beneden komt, nl. ’s nachts. Toen we vanmorgen naar buiten keken, was alles goed nat, maar we zagen al een streepnje blauw aan de hemel. Onze 175 km van vandaag reden we door een druilerig weertje, met het gevolg dat het landschap zijn kleur verliest (letterlijk!). Maat jawel, hoor, net toen we ongeveer in Queenstown waren, brak de zon helemaal door.
Eigenlijk hadden we ons voorgenomen om vandaag een rustdag te nemen. Maar dat hebben we dus niet gedaan, omdat het perfect wandelweer was. Op een reisgids lazen we dat er een boeiende ‘heuvel’wandeling was, de Queenstown Hill Walkway , die een 360 ° zicht op de stad gaf. Wij daar nietsvermoedend naartoe: een paar uur langs de heuveltop wandelen zagen we wel zitten. Met de auto tot aan de start ‘geklommen’ en daar geparkeerd. En dan zouden we even een gezondheidswandelingetje doen... Maar dat was buiten de heuvel gerekend. Heuvel betekende hier echt wel HEUVEL. En dat waren op momenten hellingen van 10%, waarvan wij telkens weer dachten dat ze bij de volgende bocht in rustige paadjes zouden overgaan. Vergeet het maar. Bij het einde bleken we 400 meter geklommen te hebben – en dan hadden we op 100 meter voor de top zelfs forfait gegeven – we zijn tenslotte geen 20 jaar meer, he...
Maar ik moet zeggen: het uitzicht was de moeite waard, en de basket of dreams (foto) hebben we meteen met dromen gevuld!.
Voor de rest van de tijd hebben we wat in Queenstown rondgekuierd, Starbucks koffietje/chocolade gedronken, de shops afgelopen, wat bij het meer gezeten, en zo. En met grote bewondering gekeken naar al die fitte jongelui die zich inschreven voor bungeejumpen, paardrijden, mountainbiken, wildwatervaren, paragliden, en nog veel andere wilde en (naar mijn gevoel) gevaarlijke dingen. Toen we van de berg afdaalden, zagen we een stoeltjeslift naar boven gaan en met mijn hoogtevrees kreg ik onmiddellijk al kippenvel, wat Donald kwajongensachtig onmiddellijk liet beslissen: dat doen we morgen zeker. Tja...

Die stoeltjeslift hebben we uiteidelijk niet gedaan. We zijn een 50-tal km richting Glenorchy gereden, en vandaar naar ‘Isengard’. In een bos daar vlabij hebben we ons wandelingetje gedaan, en na een verplichte stop bij de winkeltjes (waar ik een pull veroverd heb, en Donald een possumstaart), zijn we naar de pleisterplaats teruggereden. ‘Possumstaart’ zul je zeggen, is dat eetbaar? Nee, dat is niet eetbaar, tenminste dat denk ik niet. Possums zijn wezelachtige diertjes met een héééél zachte pels, geïmporteerd uit Australië, maar met de slechte gewoonte om zich driftig voort te planten en veel te veel van Nieuw-Zeelands groen op te vreten. Er zitten hier al 70 miljoen exemplaren van, en men wil ze uitroeien. Eigenlijk zou men hier ecologisch correct zijn, als iedereen een pelsen possumjas ging dragen, want dan waren die beesten sneller geëlimineerd.

Als het ons lukt, gaan we morgen eens spieken bij het bungeejumpen, want die waaghalzerij wil ik wel eens van dichtbij zien!!!! En ondertussen drinken we een Nieuw-Zeelands biertje om in de sfeer te komen.

donderdag 11 februari 2010

Van Dunedin naar Te Anau

In mijn overmoed om fitter thuis te komen dan ik vertrokken was, had ik gespeculeerd om vandaag een fiets te huren om Dunedin en het Otago schiereiland te verkennen. Toen ik de receptie van het hotel daarover polste, bekeek de dame me met een meewarige blik: are you sure you want to climb all these hilly streets? (Dunedin beroemt er zich overigens op, de steilste straat van de wereld te herbergen) Die bedoeling hadden we inderdaad niet, en dus hijsten we ons maar in de wagen om naar de albatroskolonie te rijden. Dat was een kort ritje van 28 km langs een smalle, heuvelachtige, bochtige weg vlak langs het water – het type weg dat mij de hele tijd aan het gillen zette. Stel u voor dat we die weg al fietsend gedaan hadden...
De binnenkant van het schiereiland was adembenemend mooi – ook al langs steile en kronkelige baantjes: een soort Wales/Cornwall, maar dan in de superlatief. Jammer genoeg ontbrak de zon, en was het bitter koud.
We hebben aan onze dag ook een cultureel hoofdstukje gebreid: Larnach Castle (foto), Olveston House en natuurlijk ook het indrukwekkende station in neo-renaissancestijl van Dunedin (foto).

Van Dunedin vertokken we naar het westen van het Zuidereiland, naar Te Anau aan de rand van het Fjordland. De rit doorheen het binnenland liep via Gore (Donalds aartsvijand), een stadje dat interessant is omdat de shops in de fifties zijn blijven steken. Ik waande me zo in Bromley de eerste keer dat ik er kwam (1965). Het leek wel alsof ik een wandeling in het verleden aan het maken was. We kwamen vrij vlot in Te Anau aan, en reden vandaar de lange weg naar Milford Sound (120 km) – waaaaaw, wat een ervaring om door een imponerend landschap te rijden dat de bakermat van Ayla in The Valley of Horses had kunnen zijn, een kruising tussen de weidsheid van Amerikaanse landschappen en de schoonheid van de Noorse fjorden.
Donald heeft onze auto nipt kunnen redden van een kea (soort papegaai) die het op onze banden gemunt had, door hem een nootje toe te gooien.

Vandaag zijn we in een toeristenval getuimeld: we zouden een geleide wandeling over Milford Track doen. Dat laatste is volgens de reisgidsen ‘de mooiste wandeling in de wereld’. Daarvoor moesten we eerst een uur over het Te Anaumeer varen. De peperdure wandeling bestond uit een ordinair uitstapje door een vrij gewoon bos – met hier en daar een woord uitleg over een boom of een vogel. En dat het zo duur was, tot daar dan toe (laat het dan maar een bijdrage tot de economie zijn), maar we hadden onze dag echt boeiender kunnen invullen dan met een boswandeling!!!! Als ik thuiskom, krijgt deze uitstap van mij een vermelding bij de tourist traps in Tripadvisor, wees daar maar zeker van. Anderzijds was het een hele geruststelling dat Donald de 11 km zonder verpinken mee heeft kunnen stappen.

dinsdag 9 februari 2010

Van Singapore tot Nieuw-Zeeland, van Christchurch tot Dunedin












Onze laatste dag in Singapore bracht ons naar de geschiedens van de stad: in het National Museum,het Raffles Hotel (waar zelfs Poirot logeerde) en in een aantal oudere kerken. Vooral St. Andrews Cathedral (Anglikaans) liet een diepe indruk na. De kerk zelf is tot in de puntjes onderhouden (er was zelfs iemand bezig met de bidbanken af te stoffen), maar de gemeenschap errond is ook springlevend, en vol met initiatieven van alle aard (scholen, autistische kinderen, enz.)





Van Singapore vlogen we dan naar Christchurch, via Sydney, nog eens 15 uren onderweg – met een jetlag om U tegen te zeggen.





Maar goed, toen we aankwamen na nog eens een nacht zonder slaap, mochten we onmiddellijk onze spiksplinternieuwe Toyota Corolla gaan afhalen. En dan zijn we snel ons bed in gedoken.





In Christchurch – een echt Engelse stad – zijn we niet lang gebleven. Onze ontdekkingstocht kon beginnen, en na amper 2 dagen op weg hebben we al een ongelooflijke variÎteit van landschappen gezien. Het begin was nog een beetje vergelijkbaar met Wales en Cornwall, maar toen dook achter een bocht plots Lake Tekapo op, met een kleur van diep turkoois (gletsjermeer). Zoiets schitterends – met het zonlicht erop – is amper te beschrijven.





’s Avonds waren we in Twizel, op een boogscheut van de Plains of Rohan (Lord of the Rings), en die waren het doelwit van onze avondwandeling.





Onze 2de dag reden we van Twizel naar Dunedin. Het meest opvallende was het dorre landschap – het moet hier in geen tijden echt geregend hebben – zodat we ons af en toe in Death Valley waanden. Een aangename verrassing was het stadje Oamaru, waar we precies in het Victoriaanse Engeland beland waren. De reisgidsen beloofden ons daar yellow-eyed pinguins, en dus gingen we ijverig op tocht om die te zien, maar de brave dieren waren blijkbaar op hun dagelijkse strooptocht, en zouden pas laat naar huis komen. Maar het schitterende zeelandschap maakte veel goed. Dat was ook het geval met de Moeraki Boulders (reusachtige ronde steenblokken) die plompverloren op het strand liggen.





We zijn nu in Dunedin aangkomen, een grote universiteisstad, en die gaan we morgen verkennen.

vrijdag 5 februari 2010

Singapore




Onze vluchten liepen foutloos, min of meer. Ria heeft ons meer dan tijdig op de luchthaven afgeleverd, en na 20.5 uur waren we in Singapore, juist op tijd om een nieuwe dag te beginnen - zonder veel slaap weliswaar. Op het vliegtuig hebben ze ons goed beziggehouden met van alles van films, muziek, games, etc. In Singapore vond men ons niet verdacht, en we raakten zonder meer binnen. Maar oei, wat heet!!!!! Zowat de kruising van de hitte in Las Vegas met de vochtigheidsgraad van Florida - we zitten hier praktisch op de evenaar, met de tropische dondervlagen als cadeau. En ik kan u verzekeren dat het dan GIET.
Onze activiteiten bestonden grotendeels uit de jetlag verwerken, en tussendoor Singapore bezoeken. Eerst al de etnische buurten (India, China, Arabia) met alle kraampjes en venters. Eten is daar spotgoedkoop en nog lekker ook, en overvloedig te vinden. Blijkbaar gaan de inheemsen daar gewoonweg hun avondmaal nemen, in plaats van te koken.
We hebben uiteraard ook het centrum al wandelend verkend - prachtige wolkenkrabbers en torengebouwen - goeie architecten! En dan de winkelstraat - dat kun je je niet voorstellen: de ene "Harrods" na de andere, en daartussen nog een rits Carrefours en winkelcentra zoals Wijnegem of de Glades van Bromley - echt niet zomaar plompverloren, maar honderden van alle makelij - ook in de etnische buurten. We zijn vandaag ook naar de Jurong Bird Park geweest (waar we op die tropische bui getrakteerd werden) - morgen gaan we naar het National Museum voor een kijk op de geschiedenis van Singapore, en dan hop naar Sydney en naar Nieuw-Zeeland.